home > About this report > Indicatoren

Inzetten op duurzaamheid

RC_LOGO

Al van bij de start van het vrijwillige Responsible Care programma volgde de Belgische sector van de chemie, kunststoffen en life sciences van dichtbij welke impact z’n activiteiten hebben op het vlak van gezondheid, veiligheid en milieu. Binnen dit kader werden verschillende initiatieven genomen om de performantie van de sector te verbeteren. In 2009 zette essenscia verdere stappen in die richting door voor het eerst een duurzaamheidsrapport te publiceren. Hierin wordt de balans gemaakt op sociaal, economisch en ecologisch vlak. Deze vierde editie geeft een overzicht tot en met 2013.

De Key Performance Indicators (KPI’s)

De selectie van indicatoren voor duurzame ontwikkeling is gebaseerd op de Global Reporting Initiative (GRI)-methode. De GRI-methode biedt een algemeen gemeenschappelijk kader en is de meest gebruikte methode om over duurzaamheid te rapporteren.

Oorspronkelijk werden de Key Performance Indicators (KPI’s) in 2009 geselecteerd. Dit gebeurde tijdens een transparant proces dat openstond voor leden, bedrijven en externe stakeholders en waarbij het GRI-rapporteringsprotocol en de bijbehorende basisprincipes gerespecteerd werden. Het rapport van vandaag is gebaseerd op dezelfde set KPI’s uitgebreid met
één  bijkomende indicator.

De essentie van de basisprincipes kan je als volgt samenvatten:

  • De principes van materialiteit en controle raden aan om de meest relevante indicatoren te kiezen met het oog op de verwachtingen van de betrokkenen.
  • De principes van evenwicht en volledigheid benadrukken om zowel positieve als negatieve elementen aan bod te laten komen.
  • Het principe van de vergelijkbaarheid vraagt dat de prestaties vergeleken worden zodat er een standaard tot stand komt die consequent toegepast kan worden.

Indicatoren op maat van onze sector

essenscia moest echter bepaalde aanpassingen doorvoeren zodat de indicatoren ook de specifieke eigenheid van onze sector reflecteren. Er werd een rapport voor de hele sector samengesteld waarin rekening gehouden werd met z’n grote diversiteit. Daarom werden enkel de algemene GRI-indicatoren die van toepassing zijn op de sector weerhouden.

Bepaalde indicatoren verwijzen naar kwesties die niet relevant waren en werden dus ook niet opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de kinderarbeid in de Belgische chemische sector. Anderzijds heeft essenscia bepaalde indicatoren toegevoegd op basis van bestaande regelgeving of vragen van betrokkenen.

De kwantitatieve indicatoren van de chemische sector en de levenswetenschappen worden waar mogelijk afgezet tegenover de hele productiesector en/of de privésector in België.

In dit rapport wordt gebruik gemaakt van indicatoren met ‘meerdere niveaus’. De GRI-methode maakt een onderscheid tussen kwantificeerbare indicatoren (GRI-niveau I), kwalitatieve indicatoren (GRI-niveau II) en zogenaamde problematische indicatoren (GRI-niveau III). Deze niveau III-indicatoren worden door de organisatie als relevant beschouwd maar worden niet in dezelfde mate uitgewerkt. De voornaamste reden hiervoor is dat voor deze indicatoren – zoals voor procesveiligheid – geen gemeenschappelijke methode of data bestaat.

Rapporteren: een dynamisch proces

Door de toenemende bezorgdheid over fijn stof, werd in de vorige editie al aangegeven om hierover op sectorniveau te zullen rapporteren. Recente studies wezen uit dat verkeer, industrie en landbouw als de voornaamste bronnen voor PM10 worden beschouwd. Uit studies van VMM en VITO blijkt echter dat slechts een handvol bedrijven uit de sector significant bijdragen tot fijnstofemissies. Bovendien blijkt uit deze cijfers dat de fijnstofemissies van deze bedrijven een minieme bijdrage zijn in de totaliteit van de fijnstofemissies in België die vooral gerelateerd worden aan transport. Op basis hiervan en omdat de studies voor een belangrijk deel stoelen op literatuur-emissiefactoren werd besloten dat een dergelijke indicator niet materieel is voor dit rapport.

Na de publicatie van de derde editie van het rapport werd op vraag van de stakeholders onderzocht of en op welke manier er gerapporteerd kon worden over de grondstoffenefficiëntie van de sector. Doordat de druk wereldwijd toeneemt om duurzaam om te springen met grondstoffen, wordt ook de hele Europese industrie onder druk gezet om de transitie te maken van een lineaire naar een circulaire economie. Dit is een economie waarbij materialen zoveel mogelijk gerecupereerd worden en waar nevenstromen van de ene producent als grondstoffen voor de andere producent kunnen ingezet worden. Om dit te kwantificeren, werkt essenscia een indicator ‘grondstoffenefficiëntie’ uit.

Eurostat definieert grondstoffenefficiëntie of grondstoffen productiviteit als de relatie tussen de economische groei en de uitputting van natuurlijke grondstoffen. Natuurlijke grondstoffen omvatten biomassa, metaalertsen, niet-metallische mineralen en fossiele energie materialen.  In het kader van de Europese 2020 strategie werd grondstoffen productiviteit gedefinieerd als de hoofdindicator voor het ‘flagship A resource efficient Europe’. Hierbij wordt GDP (gross domestic product) uitgezet ten opzichte van DMC (Domestic Material Consumption). Aangezien deze informatie tot op heden niet beschikbaar is op sectoraal niveau, heeft essenscia een nieuwe indicator ontwikkeld gebaseerd op energievectoren die als grondstoffen door de essenscia-sectoren in België gebruikt worden zoals aardolie, nafta, biomassa en aardgas. De bron van informatie is de jaarlijkse energie-enquête van essenscia in samenwerking met VITO (Vlaanderen) en DGOARNE(Wallonië). Deze grondstoffen, uitgedrukt in ton olie-equivalent, zijn zeer representatief omdat ze veruit het merendeel van de materialenbehoeften in volume van de sector dekken. Producten uit de sector kunnen ook rechtstreeks ingevoerd worden in plaats van lokaal geproduceerd te worden in België. Om een volledig beeld te krijgen van materialenbehoeften is het dan ook nodig om rekening te houden met de evolutie van de invoer in volume van niet-energetische producten die eveneens door de sector gebruikt of verwerkt worden. Deze invoerstatistieken uitgedrukt in ton worden gehaald uit buitenlandse handel statistieken gepubliceerd door Eurostat en omvatten doorvoeractiviteiten en internationale distributiecentra.

Zoals de meeste milieu-indicatoren opgenomen in het duurzaamheidsrapport van essenscia worden bovenvermelde grondstoffen-indicatoren gerelateerd aan de evolutie van de productie-index in volume van de sector. Hierdoor berekent men de evolutie van het verbruik van grondstoffen per geproduceerde eenheid (of specifiek verbruik). Dit geeft een indicatie van grondstoffen-efficiëntie weer.

De sector en de samenleving

Naast de rapportering over de prestaties van onze sector op sociaal, economisch en ecologisch gebied, omvat het rapport ook een vierde onderdeel: ‘Producten’. Dit hoofdstuk illustreert het engagement van essenscia en haar leden ten aanzien van product stewardship. Het toont aan hoe de sector zijn verantwoordelijkheid voor z’n producten neemt en dit consequent doorheen de hele waardeketen doet.

Dit wordt concreet gemaakt aan de hand van diverse initiatieven die onze sector neemt op het vlak van veiligheid. Veilig omgaan met chemicaliën is dan ook een prioriteit. Zowel wanneer het
de industrie, de professionele gebruikers als de consument betreft.
Het hoofdstuk ‘Producten’ geeft ook inzicht in de innovatieve en duurzame oplossingen die onze sector ontwikkelt om de maatschappelijke uitdagingen van de 21ste eeuw op een doeltreffende manier aan te pakken en zo bij te dragen tot een meer duurzame maatschappij wereldwijd.